Je hoort vaak dat Molukkers naar Nederland 'mochten' komen als dank voor hun trouw. Maar wilde Nederland de Molukkers in 1951 eigenlijk wel hebben? Het korte antwoord: nee. De regering zag de komst als een noodoplossing. Ze wilde de Molukse KNIL-militairen liever in Indonesië ontslaan en ging ervan uit dat ze na een paar maanden terug zouden gaan. Op blijven was niemand voorbereid.
KNIL-soldaten in de jaren ‘40 van de vorige eeuw, vermoedelijk genomen in Bandjarmasin. Foto is onderdeel van een familiearchief en gebruikt met toestemming. Fotograaf: onbekend.
Hoe zat het?
Na de Tweede Wereldoorlog was Nederland arm en was er woningnood. De regering moedigde Nederlanders juist aan om te emigreren, bijvoorbeeld naar Canada en Australië. Tegelijk was de politiek terughoudend over mensen uit de voormalige kolonie die naar Nederland wilden komen, zeker als ze geen Nederlandse nationaliteit hadden.
Geen Nederlanders, maar 'onderdanen'
Bij de soevereiniteitsoverdracht eind 1949 werd geregeld wie Nederlander bleef en wie Indonesiër werd. Molukkers waren in de kolonie 'Nederlandse onderdanen', maar geen Nederlanders. Daardoor kregen ook de Molukse KNIL-militairen die aan Nederlandse kant hadden gevochten de Indonesische nationaliteit. Volgens Kamerstukken uit die tijd wilde een kleine groep, waarschijnlijk officieren, de Nederlandse nationaliteit houden. Dat mocht niet. Lees ook Waarom is een groep Molukkers staatloos?
Een noodoplossing
De regering wilde de militairen in Indonesië ontslaan. De Molukkers weigerden dat, omdat ze de RMS steunden. Ze stapten onder leiding van F.A. Aponno naar de rechter. Op 21 december 1950 verbood de rechter de staat om hen tegen hun wil naar Indonesisch gebied te brengen. Het hele verhaal staat in Waarom konden de Molukse militairen in 1950 niet terug naar de Molukken?
Toen bleef er volgens de regering maar één uitweg over: de militairen en hun gezinnen 'tijdelijk' naar Nederland halen. In stukken voor de Tweede Kamer uit 1951 noemde de regering dat zelf "de slechtst denkbare oplossing". Minister Leo Peters van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen (vanaf eind maart 1951) was verantwoordelijk voor de opvang.
Bewust niet integreren
De regering zei in 1951 in de Tweede Kamer dat de levensgewoonten, lichamelijke gesteldheid en het klimaat de 'Ambonezen' niet geschikt maakten om blijvend in Nederland te wonen. Daarom kwamen de gezinnen in afgelegen woonoorden, met eigen voorzieningen en weinig contact met Nederlanders. Werken mocht in het begin niet. Zie de Molukse woonoorden en het CAZ.
Pas eind jaren vijftig erkende de regering dat het verblijf langer zou duren. Toen begon de verhuizing naar Molukse wijken.
Goed om te weten
- De Molukkers kwamen niet als beloning, maar op dienstbevel. Lees Hoe kwamen de Molukkers in 1951 naar Nederland?
- Op 21 juni 2026 bood premier Jetten excuses aan, onder meer voor de gebrekkige opvang en het gevoel "niet gezien en in de steek gelaten" te worden. Lees Wat hield het excuus van premier Jetten in?
- Er komt onafhankelijk onderzoek naar wat er vóór, tijdens en na 1951 is gebeurd. De uitkomsten worden in 2027 verwacht.
Bronnen
- Uitspraak Hoge Raad 2 maart 1951, ECLI:NL:HR:1951:200 (met de eerdere uitspraken van 21 december 1950 en 22 januari 1951) (Hoge Raad)
- Ir. L.A.H. (Leo) Peters (Parlement.com)
- 1951: Eerste Molukkers komen aan in Nederland (Nationaal Archief)
- Motie van het lid Ceder c.s. over onderzoek naar het verleden en de toekomst van Molukkers in Nederland (Tweede Kamer, 2026)
- Toespraak minister-president Jetten bij inhuldiging Nationaal Moluks Monument Ulu Kora (Rijksoverheid, 21 juni 2026)
- Kamerstukken I 1949-1950, 1478, p. 17; Kamerstukken II 1950-1951, 1900 (XIIIB), nr. 9, p. 10-11; Kamerstukken II 1959-1960, 5700 (XII), nr. 2, p. 12; G.R. Jones, Over de instabiele betekenis van staatsburgerschap (2009)
